Ontstaan

In de één na laatste ijstijd lagen de Scandinavische gletsjers tot in Frankrijk geschoven. Nederland lag toen, zo'n 200.000 jaar geleden, onder een dikke ijskorst. Tijdens de laatste ijstijd bereikte de gletsjer ons land niet. Er zijn meerdere ijstijden geweest. Wanner het ijs zich terug trok kon zich weer nieuw planten- en dierenleven ontwikkelen. Men noemt zo'n periode een Interglaciaal.

Wij leven nu in zo'n Interglaciaal. De afzettingen van de grondmorene bestaan uit zand, klei en keileem dat in het gehele noorden op wisselende diepten wordt gevonden. Op Terschelling is dit terug te vinden op een diepte van zo'n 35 meter, een keileemdek van 200.000 jaar oud. De Noordzee drong voor de laatste ijstijd diep door in de Nederlanden en wel tot de Geldersche Vallei. Dit bracht weer afzettingen met zich mee van schelpdieren. Op Terschelling ligt deze laag op ca. 30 meter diep. Tijdens de laatste ijstijd trok de Noordzee zich terug tot de denkbeeldige lijn tussen de rivier de Humber in Engeland en het noordelijke puntje van Denemarken, Kaap Skagen.

Terschelling ligt dan midden in het land en onze grote rivieren monden uit ter hoogte van de Doggersbank,(midden in de huidige Noordzee). Het sediment van deze rivieren bestaat uit fijn zand, het zanddiluvium, wat zich laat vinden op Terschelling op een diepte van ca. 25 meter.

We schrijven nu over de periode dat de Neanderthaler in ons land woont, zo'n 20.000 jaar voor onze jaartelling, het Holoceen. Het wordt weer langzaam warmer en de zeespiegel rijst. De Terschellinger bodem wordt weer overspoeld met afzetting van zeezand, schelpdieren en zeeklei als gevolg. We schrijven het Jong Holoceen, 5000 jaar voor onze jaartelling, de warmte wordt maximaal en de zee boort zich een weg tussen Engeland en Frankrijk door, de doorbraak van het Nauw van Calais.

De oerduinenrij ontstaat op de schoorwal die hierdoor gevormd is en loopt van Calais tot Bergen Noord-Holland. Later breekt de Noordzee meer malen hier doorheen en er wordt klei op veen afgezet. Het rivierwater achter de schoorwal vormt hier een wad en er vindt afzetting plaats van veen op klei. In het Bronzen tijdperk wordt deze veenvorming door klimaatverandering onderbroken, ca. 1000 jaar voor de jaartelling. Tijdens het IJzeren tijdperk, 500 jaar voor Chr., het Sub Atlanticum, wordt het klimaat milder maar zeer vochtig en er vindt weer veenvorming plaats. Dit veen ligt hier en daar in het westen van ons land nog steeds aan de oppervlakte. Het wordt Hoogveen genoemd en hierin heeft zowel de mens (meren) als de Noordzee (Waddenzee) grote gaten geslagen.

Door de oprukkende Noordzee zijn grote gedeelten van het wad- en Zuiderzeeveen vernield. Dit nieuwe waddengebied is het gebied wat wij kennen als het huidige. Terschelling werd weer eiland zo'n 300 jaar voor Chr. en men vindt de oude kleilaag vermengt met turfresten op een meter of vijf diep terug. Bij Oosterend en Midsland komt het turf zelfs aan de oppervlakte.

Er wordt aan de zuidkant van de duinen een strandwal opgebouwd van west naar oost. Een tweede kortere en hogere strandwal ten zuiden hiervan vormt aanleiding tot bewoning. De huidige dorpen zijn zgn. nakomelingen van deze eerste nederzettingen.

Gerealiseerd door Sugarmice